Christelijke opvoeding van jongere kinderen is belangrijk. De zorg voor de ziel van onze kinderen geeft opvoeden gewicht.
Geachte heer N.N. te N.,
De vraag die u me gesteld hebt, kan me zeker ook in deze tijd wel genoeg stof tot schrijven geven. U ziet wel in, zoals dit blijkt uit uw vraag, dat we in geestelijk opzicht in een zeer donkere tijd leven waarin de mens zich meer en meer in de zonden uitleeft. Er is haast geen tijd en plaats meer voor Gods Woord. In de wereld is daar zeker geen plaats voor, maar ook in de gezinnen die nog onder Gods Woord leven, ontbreekt het daaraan. Daarom is het uw vraag of ik over het gezinsleven eens iets zou willen schrijven. Dat u liever hij deze vraag uw naam onvermeld laat, kan ik begrijpen.
De gelegenheid wordt me niet zoveel geboden om eens in een antwoord per brief daar in het bijzonder op te wijzen. Het doet me wel goed als ik nog gedurig vragen ontvang die het zielenleven raken en als de Heere het geeft om daar iets over te schrijven. Maar ik gevoel ook zelf wel dat ik er niet zoveel aan toekom om eens te wijzen op de bijzonder ernstvoUe tijd waarin we leven en om dan ook de oorzaken aan te wijzen waarom de Heere in de werkingen van Zijn Geest Zich van ons zo terugtrekt. Wel is te waarderen dat er in de artikelen die bijvoorbeeld door de heer Scholten worden geschreven, gedurig vele dingen worden aange wezen die voor onze jeugd ook ter waarschuwing zijn, opdat men zich niet al te zeer met de geest des tijds zal doen meevoeren.
Maar zoals uit uw vraag blijkt, voelt u wel aan dat er onder ons in het gezinsleven zoveel ontbreekt, waardoor de geest des tijds steeds meer invloed krijgt op onze jonge mensen. Daarom was het uw verzoek of ik eens zou willen schrijven over de huisgodsdienst die er zo weinig meer bij ons te vinden is. En zeker is dit wel een onderwerp waar we weleens een apart brieve aan kunnen besteden. Ik heb enkele keren de dag en de nacht in Schotse gezinnen doorgebracht en het is me opgevallen en het deed me ook zeer goed als ik zag hoe men daar op gezette tijden, ’s morgens en ’s avonds huisgodsdienstoefening hield. Er werd ’s avonds gezegd op welke tijd, soms zelfs wel vroeg in de morgen, met allen in de huiskamer aanwezig werd verwacht. Men ging dan allen gelijk op de knieën, er werd gelezen uit Gods Woord en ook een Psalm gezongen. Dit geschiedde ook soms al vroeg in de avond, voor het naar bed gaan van de jonge kinderen. Zo werd dan de dag al vroeg afgesloten op een stichtelijke wijze. Ook werd er dan wel gesproken met het gezin over de dingen der eeuwigheid en wat er gekend moet worden tot de zaligheid der ziel. Zo hield men daarin ook nog wel een oude gewoonte trouw in ere. Er zal daar aan die gewoonte in verschillende gezinnen ook wel wat aan gaan ontbreken, maar ik verwacht dat dit onder ons zo goed als in het geheel niet meer plaatsvindt.
Zullen onze kinderen ’s morgens hun knieën nog wel buigen als zij het bed verlaten en zich naar school of naar hun werk begeven? Zal men ’s avonds misschien ook maar naar bed gaan zonder het als zijn plicht te zien om eerst de Heere te erkennen voor Zijn bewaring op de dag die is voorbij gegaan en om Hem om Zijn bewaring te vragen voor de nacht die men ingaat? Houden de
ouders er ook nog wel de hand aan dat de kinderen hun phcht hierin niet verzuimen?
Zoals u me schreef, is het een jachtige tijd geworden en is er geen tijd en plaats meer voor Gods Woord, niet alleen in het publieke leven, maar ook in de gezinnen. U hebt gelezen in een geschrift van een oudvader: Verzuim toch niet van uw gezinnen kleine kerken te maken. En u hebt uit deze vermaning aangevoeld dat het over het algemeen bij ons aan huisgodsdienst zo ontbreekt. Och, als ik nu op uw verzoek daarover iets moet gaan schrijven, dan kan ik dat ook nog weer niet doen zonder mezelf schuldig te gevoelen. In al onze godsdienstige verrichtingen schieten we altijd alles te kort en zo is dat ook in onze huisgodsdienstoefeningen het geval. En ik wil daarom ook niet schrijven wat ik zelf als gewoonte er nog steeds op na gehouden heb, ook op de dag des Heeren, want ik wens niet de indruk te geven dat ik me boven anderen wil stellen.
Ik heb voor ik deze brief ging schrijven, nog eens even het boekje van mej. Sieben uit Amerika, die lieve zielsvriendin van ds. Fransen ter hand genomen. Dat mens heeft niet ver van de dood vandaan geleefd, want ze was nog maar veertig jaar als ze haar aanspraak en raad aan haar kinderen heeft opgesteld, opdat haar kinderen na haar overlijden dit geschrift zouden ter hand nemen en zich ook naar haar ernstige vermaningen zouden gedragen. En uit het begin van dat boekje blijkt ook al wel dat ze niet vanuit de hoogte haar kinderen nog zo ernstig heeft vermaand, want ze begint met te schrijven: “Ik, uw moeder, ben een grote zondares, en daaruit zijt gij voortgekomen. Dus zijt gij een zondaar en kunt ge tot uw eigen vernedering zeggen: mijn vader was een Amorieter en mijn moeder een Hetitische. En maakte God u uit vrije genade een Sionietische, denk dan toch vooral, mijn dierbaren: ik heb niets dat ik niet ontvangen heb”.
Ze heeft haar kinderen erop gewezen dat hun Sabbathsviering ook niet altijd even ernstig was. Die dag is immers gegeven om die geheel in de dienst des Heeren door te brengen. Welke boeken worden er door onze kinderen gelezen op Gods dag? We dienen ze er op te wijzen dat ze zulke lectuur moeten lezen die hen zeker op die dag met het ene nodige bezighoudt. Mej. Sieben heeft wel gezien in zulk een weelderig land als waar ze nu leefde, welke verleidingen er daar waren voor haar kinderen. In het bijzonder heeft ze zo tegen hoogmoed en weelderige klederpracht gewaarschuwd. Dit was haar een grote gruwel in haar leven. Ook heeft ze haar kinderen ertoe aangespoord om goede geschriften te lezen die voor hun ziel middellijk ter zaligheid zouden kunnen worden gebruikt. Ze moesten geen geschriften lezen die riekten naar Arminianisme, Antinomianisme of andere valse leugenleringen. Ze schreef: Bemint geen van zulke geschriften, hoe mooi, hoe schoon en godzalig ze ook schijnen. Weet, dat een weinig zuurdesem het gehele deeg doorzuurt. Bemint onder andere zeer Erskine, het deel dat handelt over het sterven aan de Wet en het leven naar het Evangelie. Bemint ook Comrie, het A.B.C. des geloofs en de preken van Love, Watson, Krummacher, Huntington, Lodenstein, enz. Ze noemt dan nog enkele geschriften op, die ons ook bekend kunnen zijn, als van Owen, Sara Nevius. En ook vergeet ze natuurlijk ds. Fransen niet.
Ze heeft haar kinderen ook zo gewaarschuwd voor de tijdgeest waarin een lichtgesponnen geloof de hoofdrol speelt. Het Godsgemis wordt niet meer gevoeld en nog minder in der waarheid betracht. De nachtmaalstafels stromen vol van grote en gelovige christenen. Doch jammerlijke toestand, de meesten zit het in het hoofd, maar niet in het hart. Dit is duidelijk te zien aan de vrucht, waaraan men de boom kennen moet. Het boekje van mej. Sieben heb ik ’s zondagsavonds eerst met mijn kinderen en de laatste jaren met mijn kleinkinderen gelezen. Men laat dan maar eens zo’n Godvrezend mens aan het woord. Zo zou ik ook nog even willen neerschrijven wat Mary Winslow schreef aan haar zoon. Ze schreef aan hem het volgende: “O, welk een voorrecht om Godvrezende ouders te hebben! En hoezeer zullen zij rekenschap moeten afleggen, die hun kinderen slechts hebben opgevoed om hun vertrouwen alleen maar te stellen op een wereld die voorbijgaat en die hen overbrengt naar een andere. Godvrezende ouders kunnen hun kinderen niet bekeren, dat kan God alleen. Maar zij kunnen ze in de middellijke weg tot Jezus leiden en opvoeden in de vreze des Heeren. En als zij dit gedaan hebben, dan hebben zij alles gedaan wat zij kunnen. Want de Heilige Geest alleen kan het hart veranderen en om die Geest moeten wij bidden, totdat wij hen veilig zien in de ark. Elk ogenblik dat zij daarbuiten zijn, is van gevaren vervuld. Zij moeten wederomgeboren worden. Christus heeft het gezegd. Dat is geen verandering van gevoelen, noch een uitwendige levensverbetering. Het is een nieuw hart, dat wordt ingeplant door de Heilige Geest. En als zij dat bezitten zullen zij het weten. Wij hebben meer toewijding van hart nodig, meer een eenvoudig en oprecht oog om de heerlijkheid des Heeren te zien en om meer de waarde van kostbare mensenzielen te gevoelen. Ach, denk aan die verloren zielen, aan het eeuwig wee, waar de worm niet sterft en het vuur niet wordt uitgeblust! Geloven we God wel? En heeft Hij dit niet Zelf gezegd? Laat ons dan verre van ons doen alle valse barmhartigheid, die de zondaren aan de rand van de afgrond laat staan, omdat wij hun vleselijke rust niet willen verstoren”.
Ik heb nu maar even deze Godvrezende mensen uit hun geschriften aan het woord gelaten. U weet volgens uw schrijven, dat ik oud geworden zijnde, ook nog wel een betere tijd heb gekend dan die we nu beleven. Het is de Heere bekend hoe zwaar me in het bijzonder het leven gaat vallen, als ik zie op het wereldse leven van deze tijd, ook onder hen die nog onder de leer der Waarheid leven. Op de scholen en op de catechisaties moet men het waarnemen dat de kinderen van huis uit zo weinig meer meekrijgen wat de ware godsdienst betreft. Maar er is ook zo weinig waar geestelijk leven meer, zoals dat er vroeger nog was. In de gemeenten die we nu nog dienen, waren er verschillende kinderen Gods waar men nog achting voor had en die ook de jeugd en een gehele gemeenschap nog aan zich en aan de ware godsdienst wisten te binden. Dat wordt nu zozeer gemist.
Er is hier nog wel veel over te schrijven. En ik hoop dat de Heere me genade en wijsheid geeft, om als ik er geestelijk en lichamelijk nog toe in staat gesteld word, steeds wel op de voornaamste dingen te wijzen. Dat kan nu niet alles in een enkele brief Ik gevoel ook wel dat ik me steeds meer moet gaan bekorten. Er liggen nog wel heel wat lange brieven klaar, maar in het vervolg zal ik toch steeds, daar de inspanning te groot wordt, wat kortere brieven moeten gaan schrijven. Maar och, dat men mijn gebrekkig schrijven nog maar ter harte mocht willen nemen. Arme jeugd, het gaat met u op een grote eeuwigheid aan. In het gewone leven wordt wel gezegd dat men het zekere voor het onzekere moet nemen. Zou dat niet in het bijzonder gelden voor onze onsterfelijke ziel? Laat u dan toch niet misleiden door al wat u door mensen met geleerdheid, zoals die er in deze tijd wel velen zijn, in hun schrijven op een dwaalspoor brengt die u ten verderve leidt. Daarbij zullen de oordelen Gods niet uitblijven over de vreselijke Godsmiskenning die zich allerwege openbaart. Er zit een man te schrijven die altijd nog de oorlog in het achterhoofd heeft met al wat hij daarin heeft meegemaakt. Ik ben ervan verzekerd dat ge het straks toch zo benauwd zult krijgen, als de vreselijkste oordelen ons zullen treffen. U leeft ook nog onder de openbaring van Gods Verbond. Hoewel we geen drie-verbondenleer zijn toegedaan, zo wensen we toch wel te wijzen op de betekenis van onder de openbaring of bediening van Gods Verbond te mogen leven. De afwijking van de zuivere inzettingen des Heeren in leer en leven zal ons zwaar als een verbondsbreuk worden toegerekend. Maar ik wil u ook wijzen op wat mej. Sieben anderzijds over het leven onder die verbondsbediening schrijft. Ze schrijft: “Opent uwen mond. Eist van Mij vrijmoedig. Op Mijn trouwverbond. Dit is juist niet dat werk van het genadeverbond dat God opricht of bevestigt in de harten Zijner uitverkorenen ten tijde hunner bekering, maar ach, dat verbond dat de Drieënige God zichtbaar op uw voorhoofden heeft laten verzegelen, dat Hij uw God, Hoorder, Helper wil zijn, dat Hij u niet uitsluit Hem te mogen zoeken.”
En nu ten laatste wil ik besluiten met wat mej. Sieben van zichzelf schrijft en wat ik ook op mezelf toe moet passen. “Gij kunt ook niet zeggen, moeder schrijft ons dingen voor, die ze zelf met haar vingers niet aangeraakt heeft. Ge zijt zelf getuigen van het ellendige en melaatse in alles, zodat ik met mijn ganse hart moet uitroepen: O, ik grote albederfster. Ja, de Heere weet het, dat ik met grote letters zou willen schrijven, en met mijn bloed ondertekenen, dat ik nog nooit iets goeds verricht heb, en daarom met de dichter van ganser harte moet zeggen:
O, mijn ziel, gij moogt wel beven. Was er Koning Jezus niet.”
Hier wil ik het nu ook bij laten. Hartelijk gegroet en Gode bevolen!